Inclusief onderwijs: hoe kan het wél?
Sofie van de Waart is spreker, dagvoorzitter en onderwijsprofessional met een sterke focus op kansengelijkheid, hoogbegaafdheid en passend onderwijs. Ze staat zelf nog regelmatig voor de klas en werkte als projectleider aan verschillende onderwijsinitiatieven, waaronder voorzieningen voor hoogbegaafde leerlingen en langdurige thuiszitters. Vanuit die praktijkervaring kijkt ze met een scherpe én oplossingsgerichte blik naar inclusief onderwijs: wat vraagt het van scholen, docenten en het systeem om ervoor te zorgen dat ieder kind onderwijs krijgt dat daadwerkelijk past?
De uitslag van een enquête van een onderwijsvakbond was veelzeggend: maar liefst 80 procent van de docenten ziet de komst van inclusief onderwijs met angst en beven tegemoet. Ze vrezen meer uitval van leerlingen die juist tot bloei komen in het speciaal onderwijs. Bovendien zijn veel leraren bang dat hun werk nóg ingewikkelder wordt.
Die zorgen zijn begrijpelijk.
Veel onderwijsprofessionals hebben het gevoel dat alle leerlingen die nu naar het gespecialiseerd onderwijs gaan, straks zonder extra ondersteuning in de reguliere klas terechtkomen. En juist in een tijd waarin de druk op het onderwijs al groot is, overheerst het gevoel: dit kan er simpelweg niet meer bij.
Toch kan inclusief onderwijs wel degelijk werken. De vraag is vooral: onder welke voorwaarden?
Een aantal jaren geleden maakte onderwijsprofessional en spreker Sofie van de Waart een studiereis naar Finland om te onderzoeken hoe inclusief onderwijs daar in de praktijk werkt en wat Nederland daarvan zou kunnen leren. Na het bezoek aan de eerste school was de conclusie in de bus unaniem: “Ja, zó kunnen wij het ook.”
Want wat was daar te zien?
Klassen van maximaal twintig leerlingen, hoogopgeleid personeel, een onderwijsassistent in iedere groep en ruimtes die met een schuifwand konden worden opgesplitst. Leerlingen die extra ondersteuning nodig hadden, kregen die direct, in een rustige setting en van een begeleider.
Als dát de vorm van inclusief onderwijs is die in Nederland wordt ingevoerd, is er veel minder reden voor angst.
De uitdaging is alleen dat daarvoor andere keuzes nodig zijn.
Wanneer alle vormen van gespecialiseerd onderwijs zouden verdwijnen, zou er per school aanzienlijk meer budget beschikbaar kunnen komen. Een leerling met een toelaatbaarheidsverklaring brengt immers een veel hoger bedrag mee dan een leerling in het reguliere onderwijs.
Maar het is lastig om én het gespecialiseerd onderwijs volledig in stand te houden én tegelijkertijd voldoende geld beschikbaar te hebben voor extra ondersteuning, kleinere klassen en betere scholing van docenten.
Daarmee dreigt een tussenoplossing waar uiteindelijk niemand beter van wordt.
Meer leerlingen met complexe ondersteuningsvragen blijven in het reguliere onderwijs, terwijl de faciliteiten onvoldoende zijn. Tegelijkertijd blijft het speciaal onderwijs bestaan, waardoor de beschikbare middelen verdeeld blijven. Het risico: scholen die volop investeren in inclusief onderwijs worden zwaarder belast dan scholen die relatief veel leerlingen blijven doorverwijzen.
Een oude wijsheid uit het onderwijs biedt daarom nog altijd een waardevol uitgangspunt:
Samen waar het kan, apart waar het moet.
Een eerste stap kan bijvoorbeeld zijn om scholen voor speciaal onderwijs in of naast reguliere scholen te huisvesten. Van daaruit kan worden gekeken waar samenwerking mogelijk is. Denk aan gezamenlijke projectweken, vaklessen of buitenschoolse activiteiten.
Zo ontstaan er allerlei manieren waarop leerlingen mét en van elkaar kunnen leren. Tegelijkertijd ontstaat er kruisbestuiving tussen docenten en kunnen verschillende vormen van expertise makkelijker worden gedeeld.
Ook helpt het om minder vanuit labels en protocollen te kijken en meer vanuit de ontwikkel- en onderwijsbehoeften van een kind.
Heeft een leerling meer uitdaging nodig? Misschien is een klas overslaan een passende oplossing. Heeft een leerling juist behoefte aan meer spelenderwijs leren? Dan kan af en toe aansluiten bij een kleutergroep uitkomst bieden.
Niet het systeem, maar de leerling zou leidend moeten zijn.
Misschien wel het belangrijkste: maak gebruik van elkaars kennis.
In het speciaal onderwijs werken professionals met een enorme hoeveelheid specialistische expertise. Die kennis hoeft niet opnieuw te worden uitgevonden, maar kan juist veel breder worden ingezet. Reguliere scholen kunnen bijvoorbeeld collega’s laten meelopen in het speciaal onderwijs, een specialist uitnodigen voor een workshop of iemand vragen om mee te kijken bij een leerling.
Tijdens haar lezingen over inclusief onderwijs hoort Sofie regelmatig inspirerende voorbeelden uit de praktijk. Over die ene leerling die dankzij een creatieve aanpak weer met plezier naar school kwam. Of over een team dat samen een time-outplek inrichtte, waardoor een leerling het schoolritme wél volhield.
Juist dat soort voorbeelden laten zien wat er mogelijk is wanneer ruimte ontstaat om anders te kijken en samen oplossingen te zoeken.
Inclusief onderwijs begint dan ook niet met een beleidsstuk. Het begint met nieuwsgierigheid, samenwerking en de bereidheid om van elkaar te leren. Op verschillende plekken in Nederland zijn al inspirerende voorbeelden te vinden van scholen waar dit gebeurt.
De belangrijkste vraag is daarom misschien niet óf inclusief onderwijs kan werken, maar wat er nodig is om het wél te laten werken.
Door daarover met elkaar in gesprek te blijven, kennis te delen en stap voor stap te onderzoeken waar samenwerking mogelijk is, komt inclusief onderwijs een stuk dichterbij.